Inleiding
In historische tijden bevatten de in omloop zijnde munten met een
hoge nominale waarde
ook een grote samenstelling aan edele metalen, zoals goud en zilver.
Dit was heel erg handig, aangezien men zijn rijkdom met zich
meedroeg in een vorm die onder alle omstandigheden en overal
geaccepteerd werd. Deze eigenschappen gaven de munten hun defacto
status van “wettig betaalmiddel”. Gouden en zilveren munten werden eveneens geaccepteerd in
verschillende landen en in veranderende politieke klimaten.
Daarnaast waren zij bestand tegen inflatie en konden zij begraven
worden in tijden van oorlog of bij het toeslaan van rampen.
Speciaal in tijden van crisis, zoals oorlog of hoge inflatie, werden
munten op grote schaal opgepot als gevolg waarvan een tekort
ontstond voor de dagelijkse circulatie. Het antwoord was het
produceren van meer munten, maar teneinde dat te doen zou de
Overheid de goud- en zilverschatkist moeten leeghalen. Indien de
Staat echter het goud en zilver zou willen gebruiken om de oorlog te
financieren, buitenlandse schulden te betalen of om inflatie tegen
te gaan, zou het niet geschikt zijn om de schatkist aan te spreken.
Maar als dit wel gebeurde, werden de munten onmiddellijk uit de
actieve omloop gehaald door een zeer verontruste bevolking.
Daar het oppotten van munten niet populair was bij overheden, werd
besloten om de munten te vervangen door iets dat de moeite van het
oppotten niet waard zou zijn. Iets met nauwelijks enige intrinsieke
waarde,
waardoor de kosten gepaard gaande met de produktie hiervan laag
zouden zijn.
De
vormen van noodgeld
Een oplossing was spoedig gevonden in de vorm van het
Schatkistbiljet. Zo gauw de eerste schatkistbiljetten in het
midden van de 19e eeuw werden geïntroduceerd geschiedde het oppotten van de in omloop zijnde munten op grote
schaal. Echter had de bevolking weinig keus en begon zij de
biljetten toch te gebruiken; niet lang daarna werden de biljetten
deel van het dagelijks leven. De Overheid beloofde de bevolking dat,
zo gauw de crisis voorbij zou zijn, deze schatkistbiljetten wederom
vervangen zouden worden door zilveren munten.
Het zij opgemerkt dat Suriname één van de oudste geschiedenissen
heeft in de uitgifte van schatkistbiljetten. Het kaartengeld dat
werd uitgegeven in de periode 1761 tot 1828 kan immers vergeleken
worden met de latere schatkistbiljetten, aangezien het doel van de
uitgifte het opheffen van het tekort aan zilveren munten was.
Kaartengeld bezat in feite ook de belofte (ondanks deze niet
specifiek aangegeven was op de kaarten zelf) dat het inwisselbaar
zou zijn voor zilveren munten, wanneer het tekort aan voornoemd
metaal voorbij zou zijn.
Voor-
en keerzijde van 10 stuiver op een Franse- of Belgische speelkaart
getekend door Benelle
en
uitgegeven op 26 februari 1784
In 1829 werd daadwerkelijk alle kaartengeld vervangen door zilveren
munten en bankbiljetten uitgegeven door de Particuliere
West-Indische Bank. Helaas werd deze bankinstelling in 1847
geliquideerd en werden haar biljetten omgezet in rentedragende
noodschatkistbiljetten van f100.

Noodschatkistbiljet
uitgeven in 1847
Op
hetzelfde tijdstip werd een beperkt aantal schatkistbiljetten
uitgegeven om het tekort aan munten met een kleine denominatie op te
vangen. Laatstgenoemde schatkistbiljetten werden in 1849 uit de
omloop gehaald evenals de noodschatkistbiljetten.
Het
was niet eerder dan 1918 toen ‘moderne’ schatkistbiljetten
werden geïntroduceerd in Suriname. Dit vond plaats als direct
gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Gedurende deze periode hamsterde
de bevolking van Nederland niet alleen voedsel, maar
werden ook alle in omloop zijnde zilveren munten verstopt in
oude kousen of onder matrassen, waardoor Nederland gedwongen was
meer munten uit te geven.
Het
resultaat van het tekort aan zilver had niet alleen gevolgen voor
Nederland, maar ook voor Suriname, dat volledig afhankelijk was van
Nederland voor de toevoer van zilveren munten. Als gevolg van het
tekort aan zilveren munten introduceerde de Nederlandse Overheid op
7 augustus 1914 de Zilverbon
oftewel het Schatkistbiljet. Het was duidelijk dat de Nederlandse
Overheid, welke niet in staat was te voorzien in haar eigen behoefte
aan zilveren munten, eveneens niet in de positie was om te kunnen
voorzien in de behoefte van Suriname.
In
1918 werd daarom door de Surinaamse Overheid aan De Surinaamsche
Bank gevraagd haar medewerking te verlenen bij het uitgeven van Zilverbonnen
of Schatkistbiljetten, in navolging van Nederland. De uitgifte van
1918 alsook het gelijkvormig biljet van 1919 en de uitgiften van
februari 1920 werden gedrukt in Suriname. De zilverbonnen werden in
3 denominaties uitgegeven: f0,50,
f1 en f2,50. Deze
uitgiften waren duidelijk noodmaatregelen, daar in 1920 een geschikt
schatkistbiljet zou worden geproduceerd, toen eenmaal duidelijk was
dat de biljetten langer zouden circuleren dan oorspronkelijk de
bedoeling was.
Voorzijden
van een f1 Zilverbon van 1918 en van een f1 Zilverbon van 1920
Zoals
verwacht, was het papiergeld niet erg populair en de Overheid hield
zich aan haar belofte om de nieuwe biljetten te vervangen door
nieuwe zilveren munten, nadat de crisis voorbij zou zijn. Dit was
echter niet het geval toen de volgende crisis toesloeg in 1940;
ditmaal tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wederom werd de toevoer van
munten uit Nederland gestagneerd en ditmaal was Suriname zelf
betrokken in de oorlog.
De
verstoring in de toevoer van munten uit Nederland dwong de
Surinaamse Overheid er weer toe schatkistbiljetten uit te geven. De
1940-type biljetten werden ditmaal in de Verenigde Staten gedrukt,
wederom onder de naam Zilverbon,
met de belofte dat zij inwisselbaar zouden zijn voor zilveren
munten. De biljetten, gedrukt door de American Bank Note Company,
konden alleen worden uitgegeven voor de waarden van f0,50
en f1. De Surinaamsche
Bank had in 1940 namelijk autorisatie verkregen voor het uitgeven
van f2,50 bankbiljetten,
waardoor de uitgifte van f2,50
schatkistbiljetten werd belemmerd.
Voorzijden
van een f0,50 en f1 Zilverbon van 1940
De
naoorlogse periode
Nadat
de oorlog voorbij was, werd, ondanks het feit dat de communicatie
met Nederland in 1945 hersteld was, een andere uitgifte van
schatkistbiljetten verzorgd door de American Bank Note Company. In
1945 had de Overheid het recht van De Surinaamsche Bank voor het
uitgeven van een f2,50
bankbiljet niet verlengd. In plaats daarvan gaf de Overheid zelf een
f2,50 schatkistbiljet uit in 1949 en deed zij afstand van het biljet
van f0,50.
Voorzijden
van een f1 Zilverbon van 1949 en van een f2,50 Zilverbon van 1950
Aan
Suriname werd in 1954 volledig zelfbestuur verleend en derhalve
kwamen belangrijke veranderingen in de structuur van de Overheid. Zo
werd een ontwerp-wet, regelende de invoering van een nationaal
muntstelsel inclusief schatkistbiljetten, op 3 oktober 1957 aan de
Overheid gepresenteerd en in 1960 tot wet verheven. De Overheid
maakte meteen van de gelegenheid gebruik om de naam van de
schatkistbiljetten te veranderen van Zilverbon
naar Muntbiljet,
aangevende dat de biljetten niet langer inwisselbaar zouden zijn
voor zilver. Het feit dat de Muntwet van 1960 eveneens de uitgifte
van de Sf1 en Sf2,50
muntbiljetten regelde, betekende dat de Overheid geen enkele
intentie had om haar eigen biljetten uit omloop te halen.
Voorzijden
van een f1 Muntbiljet van 1974 en van een f2,50 Muntbiljet van 1967
De
autonomie van Suriname leidde bovendien tot het gebruik van
nationale motieven op de muntbiljetten, zoals het gebouw van het
Ministerie van Financiёn
en de Kotomisi.
Recente ontwikkelingen
Op
1 januari 2004 is een nieuwe periode aangebroken in het geldwezen
van Suriname middels het wijzigen van de naam van de Surinaamse
munteenheid van “gulden” naar “dollar”
en het vaststellen van een vaste omrekeningsverhouding van 1 : 1000
voor de dollar ten opzichte van de gulden. Weliswaar is er met
betrekking tot de Surinaamse munten en muntbiljetten een
uitzondering hierop gemaakt. Op deze betaalmiddelen is namelijk een
pariteit van 1 : 1 van
toepassing. Deze veranderingen hebben zichtbare vernieuwingen in de
chartale geldcirculatie met zich meegebracht. Zo kreeg Suriname
wederom een nieuwe uitgifte van muntbiljetten verzorgd door Johan
Enschede & Zn. Evenals
bij de vorige ontwerpen werd gebruik gemaakt van nationale motieven
op de muntbiljetten met name het gebouw van het Ministerie van Financiën.
Voorzijden
van een SRD 1 Muntbiljet van 2004 en van een SRD 2,50 Muntbiljet van
2004
Bron:
Surinam
Paper Currency Volume 3 - 1918 to 1987, Treasury Notes - T.F.A. van
Elmpt, Uithoorn, 2000
Mr. Rosanna E. Agard
Museumbeheerder
Numismatisch
Museum
Centrale
Bank van Suriname