Moni Tori - 4

MI DE DA FOSI WAN TOCH, ...

Over het wapen van Suriname ten tijde van de koloniale periode bestaat geen noemenswaardige literatuur, althans niet over zijn ontstaan, onrechtmatig gebruik en verdwijning.
Ofschoon algemeen werd gesproken van het wapen van Suriname, heeft de kolonie nimmer een wapen bezeten. Als eigendom van een Soeverein of diens plaatsvervanger kan een kolonie nooit een ander wapen hebben, dan dat van de eigenaar. Men kan dus feitelijk alleen spreken van een ‘koloniaal zinnebeeld’.
De behoefte aan een zinnebeeld werd in 1679 gevoeld. Gouverneur Heinsius (1678 – 1680) drong op 24 maart 1679 aan bij de Staten van Zeeland – toen eigenaars van de kolonie – op de vaststelling van een koloniaal wapen, bij de invoering van een zegelbelasting. Bij de invoering van een suikermunt koos Heinsius als zinnebeeld een papegaai.
Op 6 juni 1682 droegen de Staten van Zeeland de kolonie aan de West-Indische Compagnie over. Na enige maanden droeg zij evenwel de kolonie weer over. De nieuwe eigenaars noemden zich de Geoctrooieerde Sociëteit van Suriname.


Wapen van de  Geoctrooieerde Sociëteit van Suriname

Onder deze gebruikte men, overeenkomstig het eigendomsbeginsel, het gecombineerde zegel van dat lichaam bestaande uit 3 aandeelhouders: eerste dat van Amsterdam, het bekende wapen, rood met drie zwarte kruisen, gedekt door de keizerskroon en gedragen door 2 leeuwen als schildhouders, bovenop; tweede dat van de West – Indische Compagnie, een zeilende driemaster met generaliteitsvlag links in een ovaal en derde dat van het geslacht Van Aerssen, rechts. Schildhouders waren links een Indiaan en rechts een Neger. De leuze luidde: Justitia Pietas Fides (gerechtigheid, liefde en geloof).
In 1770 deed het huis Sommelsdijck zijn aandeel in de Sociëteit over aan de stad Amsterdam. Dus verdween ook zijn wapen uit het Sociëteitszegel. Bij resolutie van de Staten-Generaal van 27 mei 1791 werd de West Indische Compagnie opgeheven, met als gevolg dat haar wapen eveneens niet meer thuis behoorde in het zegel van de Sociëteit.  De Sociëteit van Suriname werd opgeheven bij resolutie van de Staten-Generaal van 5 oktober 1795. De Bataafse Republiek bestond van 1795-1805. Een commissie werd ingesteld om een nieuwe zegel te doen vervaardigen. De nieuwe zegel vertoonde een ovaal schild, waarop een driemaster met een driekleurige vlag op de achtersteven, waarop de letters R.v.S. (Raad van Suriname) te lezen waren; langs de bovenrand van het schild aan de binnenzijde: Justitia, Pietas, Fides. Schildhouders waren 2 Indianen, beiden een boog en één, een pijl vasthoudende met daaronder het jaartal 1796.
Bij besluit van 15 april 1802 van het Wetgevend lichaam van de Bataafse Republiek werd het bestaande wapen vernietigd en een nieuwe vastgesteld. Het nieuwe wapen zou vanaf 1 maart 1813 voor Suriname gelden. Het wapen was rood, waarop van goud een klimmende of staande gekroonde leeuw, houdende in de rechterklauw een opgeheven zilveren zwaard en in de linkerklauw een bundel zilveren pijlen.. Het omschrift luidt: Bataafse Republiek en het onderschrift: Suriname. Een paar jaar later namelijk op 7 mei 1804 ging Suriname in Engelse handen over. Het zegel van de Bataafse Republiek werd vanaf toen niet langer gebruikt.
In 1815 werd Nederland een Koninkrijk en Suriname keerde in 1816 weer onder het Nederlands gezag terug. Het in 1815 vastgestelde Rijkswapen gold dus ook voor de kolonie Suriname.
De gewoonte om het oude scheepjeswapen te gebruiken, bleef lang in gebruik en moeilijk uit te roeien. Op 2 maart 1911 zond de Gouverneur van Suriname een rondzendbrief aan de departementchefs, waarin werd vermeld dat het wapen van het Koninkrijk der Nederlanden aan te merken is als het wapen van de kolonie Suriname.


Munt met aan de voorzijde wapen
van Suriname en aan de keerzijde
250 cent binnen ornament.

Toen na de aanschrijving van de Gouverneur het ambtelijk gebruik van het Surinaamse wapen ophield, werd er in de kolonie een hoofddoek te koop aangeboden, waarop het oude bekende scheepjeswapen was gedrukt. Aan deze hoofddoek werd de volgende Negerengelse naam gegeven: Mi de da fosi wan toch, foeroe goedoe mi no habi, ma kouroe hati en boen liebi. Daag!
Hetgeen vertaald, zou moeten luiden: Ik was eerst, ofschoon ik niet veel bezit, een koud hart heb en goed leef. Daag!
In 1959 ging een jarenlang gekoesterde wens van Suriname in vervulling. Bij landsverordening van 8 december 1959 (G.B. 1959 no. 104) werd het wapen van Suriname officieel vastgesteld.
In dit kader werd bij de uitgifte van eigen Surinaamse munten ingevolgde de Muntwet van 1960 (G.B. 1960 no. 38), het Surinaamse wapen in plaats van het Nederlandse wapen op de munten aangebracht.

Bron:

© 2008 Centrale Bank van Suriname