CENTRALE BANK VAN SURINAME

Dollar

To the English version

Ons nieuwe geld

Belangrijke bekendmakingen

Vragen en antwoorden (FAQ)

Bankbiljetten

Munt(biljett)en

Wettelijk kader

Lezingen  president CBvS

Email: dollarinfo@cbvs.sr

Infolijn tel. 420295

INLEIDING VOOR DE CARIBBEAN CONGRESS OF LABOUR

door de heer André E. Telting, President van de Centrale Bank van Suriname

Hotel Krasnapolski, maandag 17 november 2003

Geachte aanwezigen, dames en heren,

Wanneer mij gevraagd wordt een inleiding te verzorgen over het onderwerp "Noodzaak schrappen van de drie nullen", dan twijfel ik er niet aan dat er bij u, geacht gehoor, hoegenaamd geen twijfel aanwezig kan zijn over die noodzaak. Ik wil het onderwerp van mijn inleiding daarom opvatten als het voldoen aan de verplichting die nu eenmaal op beleidsmakers rust om inzicht te verschaffen in wat zij aan het doen zijn, anders gezegd, om transparant te zijn. Ik zal trachten zo open en transparant mogelijk te zijn, behalve op zaken waarvan ik mij de nodige beperkingen moet opleggen.

Waarom drie nullen schrappen?

De Memorie van Toelichting op de Wet Vernoeming en Herleiding van Guldensbedragen tot Dollarbedragen (S.B.2003 No.89) geeft het antwoord als volgt: omdat onze nationale munt- en rekeneenheid, de gulden, al sinds jaren onder een niet aflatende druk staat, een druk welke niet alleen tot veelvuldige waardedalingen heeft geleid, maar ook tot algemene erosie van vertrouwen in de geldeenheid zelf. Tot zover de Memorie.
Hadden wij genoegzaam vertrouwen in onze munt behouden, dan zou het niet nodig zijn nullen te schrappen en zouden deze constateringen niet gedaan hoeven te worden. Maar helaas, onze dollarisatiegraad is zo hoog dat daarmee zonneklaar wordt bevestigd wat in de Memorie in zo treffende bewoordingen is samengevat.

De Memorie gaat verder en stelt: “Omdat een nationale geldeenheid voor elk land van zo strategisch en eminent belang is voor het economisch leven en de sociale ontwikkeling, moet het vertrouwen in de munt als rekeneenheid, als betaalmiddel en als spaarmiddel een gevestigd vertrouwen zijn; een vertrouwen dat voldoende bestand is tegen schokken. Met onze gulden was dat helaas niet meer het geval. De tijd is aangebroken om nieuw élan te schenken aan onze nationale munt- en rekeneenheid.” Ik heb hieraan geen woord toe te voegen.

Nieuw élan

Wat wordt bedoeld met nieuw élan? Hierop geeft de Memorie geen expliciet antwoord. Maar impliciet is het duidelijk dat het nieuwe élan omvat dat wij aan onszelf een nieuwe kans bieden om over een vertrouwenswaardige reken- en geldeenheid te beschikken. Wij maken met de nieuwe munt, onze eigen dollar, een nieuw begin. Als wij al van mening zijn dat de nationale munt een factor van strategisch belang is voor het economisch leven en de sociale ontwikkeling, laten wij dan onze nieuwe munt maken tot een gezonde munt, een veilige munt, een munt waarin wij tot in lengte van jaren kunnen rekenen, betalen en sparen, zonder bevreesd te zijn voor onevenredig en onacceptabel waardeverlies, muntdepreciatie. Zo zou ik het nieuwe élan willen aanduiden. Ze is niet anders dan in het algemeen belang, en daarmee in het belang van ieder van ons wiens geldzaken in Surinaams courant zijn uitgedrukt.

Een korte terugblik. Hoe heeft het zover kunnen komen?

Hoe ging het vertrouwen in onze munt teloor? Ons land was afgegleden in een diep financieel-monetair verval. De monetaire ontwikkeling werd vanaf het jaar 1983 gedurende 11 jaar lang gedomineerd door de inflatoire financiering van het Staatsbudget. Dat ging gepaard met afvloeiing in amper 2 à 3 jaar van vrijwel onze gehele officiële deviezenvoorraad naar het buitenland, het veroorzaakte daarnaast een aanhoudende druk op de prijzen en het oplopen van de vlottende schuld bij de Centrale Bank van Suriname.

De geslonken deviezenvoorraad dwong in 1984 tot het treffen van maatregelen om het buitenlands betalingsverkeer in te dammen. Omdat de deviezenvoorraad toen al zo goed als verteerd was, konden de liquiditeiten die alsmaar aan de lopende band gecreëerd werden voor de Staatsuitgaven, geen uitweg meer vinden naar het buitenland. Die liquiditeiten gingen zich ophopen bij de lokale banken en in de kassen van de huishoudingen, en zo ontstond dan bij ons het fenomeen van de “overliquiditeit”. Pogingen om deze overliquiditeit te binden waren te beperkt om het gewenste resultaat te bereiken.

De aanwezigheid van de overliquiditeit heeft op haar beurt geleid tot het ontstaan van een parallelmarkt voor vreemde valuta, waarop zaken tegen hogere wisselkoers werden gedaan dan de officiële vaste wisselkoers van Sf 1,80 voor de US dollar. Die hogere koersen dreven vervolgens het binnenlandse prijspeil omhoog en de prijsstijging leidde tot loon- en salarisstijgingen. Deze negatieve ontwikkelingen hebben onze externe concurrentiepositie aangetast, waardoor zowel de interne als de externe waarde van onze munt significant afnamen (deprecieerden).

Eenmaal in deze  precaire financieel-monetaire toestand beland, namen de autoriteiten hun toevlucht tot buitenlandse kredietlijnen (credit lines) en stonden zij in eigen land de zogenaamde E.A. importen toe. Dat waren importen waarvoor er geen officiële deviezen door de Centrale Bank van Suriname werden verkocht. Rond 1986 waren er credit lines gesloten met o.a. Taiwan, Zuid Korea, Brazilië, Venezuela en met het FIAT-concern.

Pas in 1994 kwam er een kentering in de monetaire financiering van de Staatsuitgaven en per 1 januari van het daarop volgende jaar (1995) kon na goedkeuring bij wet, het totaal van de al die jaren opgenomen voorschotten worden geconsolideerd in een langlopende lening bij de Centrale Bank van Suriname (zie S.B. 1995 No.8). Bij de behandeling van deze wet werd in De Nationale Assemblée plechtig verklaard dat zoiets zich nooit en te nimmer meer mocht voordoen in ons land, de consolidatie zou een eenmalig karakter hebben en voor goed een punt zetten achter excessieve monetaire financiering. Hoe zeer heeft men zich daarin toen vergist ........ !

Orde op zaken stellen, rule of law in het budgettair en monetair beleid

Toen de huidige regering in augustus 2000 aantrad zag deze zich geplaatst voor vier complexe vraagstukken op macro-economisch gebied:

  1. het vraagstuk van de staatsfinanciën, i.h.b. het weer stopzetten van de monetaire financiering;

  2. het vraagstuk van de staatsschuld;

  3. het vraagstuk van de wisselkoers, de inflatie en de rentestand, en

  4. het vraagstuk van de wederopbouw van een monetaire reserve.

Voorts moest geconstateerd worden dat de staatsfinanciën geheel buiten de wettelijke perken van de Leningenwet en de Bankwet waren getreden.
Wat het vraagstuk van de staatsfinanciën betreft, had ze de plicht om in ieder geval orde op zaken te stellen. Ze begon met het herstellen van de ‘rule of law’ in het financieel beleid. Noodwetgeving werd gepasseerd die voor een in de wet beperkte tijd aan de Minister van Financiën een afgebakende financiële ruimte toestond.

Om de staatsfinanciën ook duurzaam binnen de perken van wet en recht te houden, en meer nog om excessen zoals in de episoden 1983 t/m 1993 en 1998 t/m 2000 te ontmoedigen, werd in april 2002 de Wet op de Staatsschuld (S.B.2002 No.27) afgekondigd. In deze wet zijn opnieuw plafonds vastgesteld tot waar de Staat schulden kan opnemen. De Minister van Financiën is als enige autoriteit aangewezen die de Staat kan verbinden aan een schuld. Niemand anders dan hij, en hij alleen, heeft die bevoegdheid. Maar als hij de in de wet vastgestelde schuldplafonds heeft bereikt, mag hij die onder geen enkele omstandigheid overschrijden. Doet hij dat toch, dan wordt dat aangemerkt als een misdrijf en is hij daarvoor persoonlijk vervolgbaar, ook na zijn aftreden. De wet bepaalt dat hem een gevangenisstraf van ten hoogste 10 jaar kan worden opgelegd en een geldboete van ten hoogste Sf 2 miljard (straks SRD 2 miljoen). Met deze strafbaarstelling wordt beoogd het overschrijden van de leenplafonds tegen te gaan. De gedachte is dat geen Minister van Financiën het zal riskeren om zo’n strafvervolging te ondergaan. Indien dan toch het Staatsbelang vordert dat een plafond moet worden overschreden, dan behoort de Minister van Financiën via de Raad van Ministers, de Staatsraad en de President van de Republiek een ontwerp-machtigingswet daartoe in te dienen bij De Nationale Assemblée. Zo is er dan nu een waarborg in de wet ingebouwd dat er geen ongebreidelde liquiditeits­creatie meer kan plaatsvinden voor de staatsuitgaven. Deze waarborg strekt ter bescherming van onze nieuwe munt tegen ontwaarding door onbehoorlijk Staats-financieel gedrag.
Ook voor de president van de Centrale Bank zullen dezelfde straffen van toepassing zijn als hij aan de Staat voorschotten zou toestaan die boven het in de Bankwet vastgestelde voorschottenplafond gaan.

Deze sanctiedreiging tegen de monetaire autoriteiten moet gezien worden als een wezenlijke afwending van het risico dat vanwege de Staat weer in die excessieve mate monetaire financiering zou kunnen worden ontlokt dat de munt daardoor wordt aangetast.

Het vraagstuk van de staatsschuld werd aangesproken door een commissie van gezaghebbende oordeelkundige personen te belasten met het maken van een inventarisatie van alle schulden van de Staat. Het rapport dat deze commissie in maart 2001 uitbracht was een felle aanklacht tegen het gevoerde beleid van zogenaamde schulderkenning van particuliere buitenlandse betalingsverplich­tingen. Het rapport bracht allerlei misstanden aan het licht en het is dan ook zeer teleurstellend, dat de informatie niet is aangegrepen om al was het maar een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van terugvordering van gelden en deviezen die kennelijk ten onrechte of onverschuldigd waren betaald. Het rapport heeft tot dusver wel gediend om de omvang van de staatsschuld in de Wet op de Staatsschuld vast te stellen. Om ervoor te zorgen dat zulke zaken in de toekomst niet meer voorkomen, voorziet de Wet op de Staatsschuld in de instelling van een zelfstandig Bureau voor de Staatsschuld, dat onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën belast is met het operationeel beheer van de staatsschuld. Dit Bureau moet nog een aanvang maken met de taak waarvoor het in leven werd geroepen.
Om de vele achterstanden enigszins in te lopen zijn er betalingen gedaan op de buitenlandse schuld, w.o. ook herstructurering waren begrepen. Voor wat de binnenlandse schuld betreft werden in juli 2002 alle ongedocumenteerde en gedocumenteerde kortlopende voorschotten die bij lokale banken waren opgenomen, gecentraliseerd in een consolidatielening van Sf 163,8 miljard bij de Centrale Bank van Suriname. Door deze lening konden ook de pensioenpremies worden betaald die over de jaren 1997 t/m 2000 waren ingehouden van de ambtenaren, maar niet waren afgedragen aan het Pensioenfonds.  Alzo is er voor wat de staatsschuld betreft, goeddeels orde op zaken gesteld zowel in binnen- als in buitenland. Er resten nog enkele belangrijke posten aan buitenlandse schuld waarover er nog regelingen getroffen dienen te worden, o.a. Brazilië en de Verenigde Staten van Amerika.

Voor wat het vraagstuk van de wisselkoers, de inflatie en de rentestand betreft hebben een strakke begrotingsdiscipline en een restrictief monetair beleid ertoe geleid dat de wisselkoers zich momenteel weer in rustiger vaarwater bevindt en zelfs neigt naar stabiliteit. Dit heeft een positief effect op de inflatie, omdat de prijsstijgingen ook aanmerkelijk worden afgezwakt. Als deze trend voortzet na de overstap van de Sf op de SRD, mag verwacht worden dat misschien reeds in de eerste maanden van 2004 de rentestand een dalende beweging inzet.
Ons land heeft behoefte aan een stabiele munt die op termijn enigszins bruikbaar moet worden gemaakt in het reizigersverkeer met het buitenland. Een nieuw deviezenregiem dat van een positief stelsel uitgaat moet hierin voorzien, maar meer nog bevorderen dat een realistische wisselkoers op marktconforme wijze tot stand komt, d.w.z. door het mechanisme van vraag en aanbod. Hierover wordt er momenteel een buitenlandse consultant geraadpleegd.

Het vraagstuk van de wederopbouw van een monetaire reserve

Dit vraagstuk is opgelost door het aangaan van een lening bij de NIO (Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden) te sluiten met de restant garantiemiddelen van het Ontwikkelingsverdrag van 1975 als onderpand. Deze lening was eveneens een bijzondere voorziening om orde op zaken te stellen. Eén vierde deel van de lening was bestemd voor het herstructureren van de buitenlandse schuld, drie vierde deel was bestemd voor het aanzuiveren (lees: wegwerken) bij de Centrale Bank van Suriname van uitstaande voorschotten die zij in de periode 1998 - 2000 in strijd met de Bankwet aan de Staat had verstrekt en nog wel bóven het wettelijke plafond (zie S.B.2001 No.36).

Verzorgen van de bankbiljettencirculatie

Het verzorgen van een circulatie van meer dan 90 miljoen exemplaren van bankbiljetten is een zeer kostbare zaak die ons deviezen kost, en bovendien is het zeer inefficiënt omdat de biljetten een betrekkelijk gering koopbereik hebben. Wij hebben als wettig betaalmiddel in omloop 10 coupures, namelijk bankbiljetten  van 5, 10, 25, 100, 500, 1.000, 2.000, 5.000, 10.000 en 25.000 gulden. Voor de gebruikers, of het nu banken zijn of bedrijven, staatsinstellingen of gewone mensen, volwassenen en kinderen, zijn deze bankbiljetten ook erg bewerkelijk omdat men altijd met grote aantallen bezig moet zijn. Maar los van de eigenlijke bankbiljetten hebben de grote getallen in het girale verkeer en in de boekhoudingen en administraties hun eigen bijzondere kosten. In onze nieuwe reken- en munteenheid, de dollar, zullen er slechts 5 coupures zijn, namelijk bankbiljetten van 5, 10, 20, 50 en 100 dollar. Verwacht wordt dat tussen de 15 en 20 miljoen exemplaren in omloop zullen zijn, aanzienlijk mindere dan bij de gulden thans. Naast de bankbiljetten zullen de muntstukken en muntbiljetten weer aan de geldcirculatie kunnen meedoen. Daarvoor worden de munten die reeds in omloop zijn behouden en wel voor hun volle nominale waardeaanduiding. Het gaat om de muntstukken met aan de voorzijde het wapen van Suriname en aan de achterzijde de waardeaanduiding in centen.

Slot

Onze losverbondenheid via onze nationale munt stelt ons allen in de verplichting de nieuwe munt te ondersteunen door vertrouwen daarin te stellen. Wij zullen weer moeten wennen aan de kleinere bedragen, maar laten wij vooral wakker zijn en oplettend dat de waarde van deze nieuwe munt niet weer wordt uitgehold door eigen mensen. Tegen de Staat is het gevaar wettelijk nu goed ingedamd. Maar vanuit de particuliere sectoren moeten ongemotiveerde prijs- en tariefstijgingen achterwege worden gelaten. Vanuit het veld van de werknemers moeten er evenzo geen ongemotiveerde loon- en salariseisen worden gesteld. Dan blijven nog de geïmporteerde prijsstijgingen over, maar daartegen zijn wij niet altijd goed opgewassen. Men moet begrip opbrengen dat inflatoire verhogingen altijd negatieve effecten hebben. Echte loon- en salarisstijgingen moeten uit hogere arbeidsproduktiviteit komen. Daarvoor is concurrentievermogen nodig ten opzichte van het globaliserende krachtenveld.
Wat ook uw doelen als vakbeweging mogen wezen, laat één daarvan zijn: “het behoud en versterken van het concurrentie­vermogen van Suriname’s werkers”.
Suriname staat op de drempel van een nieuwe episode. Mensen van de vakbeweging, u allen hier bijeen, ik roep u op om in het belang van ons dierbaar land en ook in ons eigen belang vierkant achter de nieuwe munt te gaan staan, omdat die munt ook van u is, en te helpen haar te verdedigen en te maken tot een groot succes voor ons allen en voor ons nageslacht.

Ik dank u.

Home Over de CBvS Persberichten Statistieken Publicaties Contact Info Externe Links Copyright/Disclaimer Diversen

© 2008 Centrale Bank van Suriname